NL / EN

wo. 9 juli 2014

Verslag debat Voor de muziek uit

"De traditionele symfonische muziekbeleving, met een groot orkest voor een aandachtig luisterende zaal, zal zichzelf niet overleven’, durft een manager van een radiostation te beweren. ‘Het model is gewoon uitgewerkt.’ Een dirigent reageert: ‘Ja, en daar hoeven we heus niet verdrietig over te zijn."


De eerste bijeenkomst op 27 juni 2014 in de grote on- en offline debatreeks Voor de muziek uit, die het Fonds Podiumkunsten en de Johan Wagenaar Stichting tot aan volgend jaar zomer organiseren, levert meteen prikkelende stellingen op. Wees zo eerlijk mogelijk, houd je niet in, is dan ook de oproep. Wat dat betreft is de bijeenkomst geslaagd. Knuppels worden enthousiast in hoenderhokken gegooid. Het gaat deze middag in het Bimhuis in Amsterdam om de vraag: wie zou moeten bepalen welke muziek er te horen is? Oftewel: wie zijn de programmeurs van de toekomst?

Het stellen van deze vraag (en in bredere zin het organiseren van zo’n langdurige debatreeks) suggereert dat er een urgent probleem is dat oplossingen behoeft. Als alles goed gaat in de muziekwereld, zijn we immers gauw uitgepraat. Maar wat is het probleem dan precies? Tijdens de besloten discussie, waar zo’n twintig musici, programmeurs, managers en een enkele zaaldirecteur in een halve cirkel zitten, wordt hier als eerste naar gezocht.
Henriëtte Post, directeur van het Fonds, spreekt in haar inleiding niet van een ‘probleem’. ‘Ik zie vooral kansen. Kansen liggen er in het vinden van nieuw publiek voor de muziek van de toekomst,’ licht ze toe. Post heeft medestanders in deze benadering. In de online discussie in aanloop naar de bijeenkomst is al geschreven dat het publiek van vandaag festivals vaak verkiest boven de gesubsidieerde zaal. Velen herkennen dit beeld. ‘Nederland is festivalland geworden.’
Die verschuiving leidt tot het beeld dat de zalen leeg staan, maar ‘er staan gewoon te veel stoelen’, in de nuchtere woorden van een musicus. Dat is een essentieel onderscheid, zegt hij. ‘Ik zit liever in een zaaltje met dertig man dan in een enorme zaal.’ De meeste aanwezigen erkennen dat er ook (te) veel zalen zijn. Dat aantal past niet meer bij hoe we tegenwoordig muziek willen beleven.
De behoefte aan muziek is niet verminderd, maar bezoekers vinden pas de weg naar een zaal als ze op de juiste manier aangesproken worden. Het publiek van vandaag wil zich verbonden voelen met de zaal, en moet daarom op een andere manier betrokken worden bij het muziekleven dan vroeger. Je vindt het niet meer door alleen een programmaboek te verspreiden, maar via netwerken. Die verbinding maken, communities bouwen, is de essentiële taak van de programmeur, blijkt uit het debat. Hij is de matchmaker tussen podium en stoelen.
Daar ligt de uitdaging voor de muziekwereld. Het publiek is kritisch en nieuwsgierig; alleen een cocktailbar of dj achteraf is niet genoeg om te verjongen. De urgentie van de kwestie wordt samengevat door een jonge programmeur: ‘Wij vinden halfgevulde zalen misschien geen probleem – het bevestigt dat we iets experimenteels, iets gedurfds aan het doen zijn -, maar het is een politieke zaak. Gevulde zalen legitimeren immers de subsidie die in het muziekleven wordt gestopt.’

Wat moet zo’n programmeur dan zijn? Hij of zij is een generalist, zegt een festivalorganisator. Hij programmeert vanuit artisticiteit, niet vanuit traditie; hij moet een goed verhaal hebben, waarbij hij muziek, context en marketing integreert tot één sterk concept.
Behalve kennis van de muziek moet hij weten wat er speelt in de stad waar hij werkt. Fans weten meestal meer van een specifieke artiest of genre dan hij, het gaat erom dat hij die kennis weet te gebruiken. De programmeur is daarom vooral curator en intendant, wordt vaker gezegd. Hij hoeft het niet allemaal zelf te doen, maar kan gastprogrammeurs vragen, die een sterke achterban of een groot netwerk hebben; zij weten nieuwe bezoekers binnen te halen.

Een belangrijke ontwikkeling is de verschuiving van de taak van programmeur naar uitvoerende musici: ‘de hybride programmeur’. Een musicus bedenkt voor zijn eigen ensemble samenhangende en verrassende programma’s en presenteert dit concept aan een boeker. Of hij vult een carte blanche in op verzoek van een zaal, of organiseert zijn eigen festival. Onder de deelnemers zijn al veel hybrides aanwezig.
Maar gesubsidieerde (en gespecialiseerde) podia als het Concertgebouw moeten ook hun ‘klassieke functie’ blijven uitoefenen, zegt een aantal deelnemers. Toen het Nederlands Philharmonisch Orkest een ideeënbus opende zodat het publiek programmasuggesties kon doen, was de respons nul. ‘Het Concertgebouw heeft al een van de sterkste communities’, meent een programmeur.

Dan ontstaat een gedachte-experiment in het debat: wat als al het geld niet naar de ensembles of orkesten gaat, maar naar de zalen? Dat zij de programmeurs van de toekomst zijn, en het muziekleven vormgeven? De vraag verdeelt de aanwezigen. Iets voor de derde bijeenkomst, wanneer het ook over het subsidiebeleid zal gaan.

Toch is er scherpe kritiek op de gesubsidieerde zaal. Op het aantal en hun omvang. Op de risicoloze programmering, met name in de provincie, waar de zalen het met veel minder geld moeten doen dan in de Randstad. Een musicus bemerkt een tendens richting het boeken van studenten: dan zit je zaal vol voor weinig geld, ten koste van de meer ervaren musicus.
Een ander punt is dat de zalen ‘underground’-initiatieven, die buiten de instituten ontstaan, in de weg zitten, in plaats van ermee samenwerken. Daarmee lopen ze prachtige kansen mis om nieuw publiek te vinden. ‘Ik zie de stad zelf als podium’, zegt een zaaldirecteur. ‘Lokale inbedding van je activiteiten als zaal is wezenlijk.’ Ook met festivals moet meer worden samengewerkt. Festivals hebben momenteel geen enkele moeite om hun tenten te vullen, maar dat mag niet ten koste gaan van het voortbestaan van zalen: een festival biedt niet dezelfde akoestiek of beleving als een mooie zaal, en ook niet dezelfde begeleiding voor artiesten.
‘Moet het niet meer een feestje worden in de zaal’, vraagt moderator Lex Bohlmeijer aan de deelnemers. ‘Dat kan ook als je stil op een stoel zit’, reageert iemand. ‘Als het maar bruist’, zegt een dirigent. ‘Dat is cruciaal.’

verslag door: Persis Bekkering
Praat mee op www.voordemuziekuit.nl

meer nieuws

De subsidie kleinschalige en incidentele programmering (SKIP) heeft als doel bij te dragen aan een gevarieerd podiumkunstenaanbod in Nederland. Het grote aantal aanvragen hiervoor bewijst dat er behoefte is aan ondersteuning van een gevarieerd aanbod op diverse locaties voor een breed publiek. Om aan deze behoefte verder tegemoet te komen heeft het Fonds Podiumkunsten besloten om met extra beschikbare middelen voor de aangewezen podia in 2018 en 2019 het budget op te hogen naar €1.5 miljoen. Het maximale subsidiebedrag per podium per categorie wordt met 10 procent verhoogd. Het Fonds verwacht niet dat er meer voorstellingen of concerten zullen worden geprogrammeerd met het extra budget. Podia krijgen op deze manier meer ruimte om redelijke vergoedingen te verstrekken aan gezelschappen en ensembles.

nieuws - 08 dec 2017

Vacature subsidiecoördinator

Wij zoeken een subsidiecoördinator, die goed kan organiseren en een vaardige pen heeft.

nieuws - 08 dec 2017

Vacature subsidieconsulent

Wij zoeken een stressbestendige, op kwaliteit gerichte subsidieconsulent met een vaardige pen.

Wij zoeken een op samenwerking gerichte hoofd subsidieondersteuning met een analytische blik.

Wij zijn op zoek naar een subsidieconsulent, subsidiecoördinator en hoofd subsidieondersteuning.

De subsidie Nederlandse voorstellingen of concerten in het buitenland (via snelloket) van het Fonds Podiumkunsten is zeer populair. Vanwege de grote hoeveelheid goede aanvragen is het budget, helaas nog voor het einde van het jaar, vergeven. Het is vanaf nu niet meer mogelijk om aanvragen in te dienen hiervoor.

meer