Het betrof in feite twee zaken; het beroep van HO tegen de honorering van drie andere muziektheater-instellingen en het beroep tegen de afwijzing van de eigen aanvraag. In de eerste zaak gaat het om de vraag of het FPK in zou moeten gaan op de bezwaren die HO heeft ingebracht tegen de honoreringen van deze derden. Dat heeft het FPK in de bezwaarfase niet gedaan, maar de rechtbank is van mening dat deze bezwaren wel ontvankelijk zijn en wijst daarbij op het feit dat de aanvragers met elkaar concurreerden om een beperkt budget. Het FPK overweegt hoger beroep tegen deze uitspraak aan te tekenen, vanwege de grote consequenties die dit zowel financieel als procedureel voor aanvragers én het Fonds Podiumkunsten zou kunnen hebben.
Daarnaast heeft de rechtbank zich ook over het besluit over de aanvraag van Holland Opera zelf gebogen. Op twee punten heeft de rechtbank besloten dat het Fonds zijn oordeel nader moet motiveren. De rechtbank heeft het Fonds Podiumkunsten hiervoor acht weken de tijd gegeven.