Op 23 maart 2026 deed de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) uitspraak in de beroepszaak die Walhalla had ingesteld tegen het besluit van het Fonds in het kader van de Podiumregeling om de productiebijdrage wel en de programmeringsbijdrage niet te honoreren. Hoewel de adviescommissie een positief advies uitbracht over de aanvraag voor een programmeringsbijdrage, liet het budgettaire kader een toekenning niet toe.
De rechtbank oordeelde dat Walhalla een concreet aanknopingspunt naar voren bracht dat sprake zou kunnen zijn geweest van een (schijn van) belangenverstrengeling van een van de commissieleden. De rechtbank oordeelde ook dat het Fonds dit nader had moeten onderzoeken. De rechtbank heeft het beroep daarom gegrond verklaard en heeft het Fonds opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen.
Bij de uitvoering van deze opdracht van de rechtbank bleek het binnen de door de rechtbank gestelde termijn niet mogelijk een nieuwe adviescommissie met vergelijkbare kennis over de culturele infrastructuur in de regio samen te stellen. Daarbij constateerde het Fonds dat de aanvraag voor de programmeringsbijdrage een positief advies van de adviescommissie had. Om deze unieke redenen is het Fonds het gesprek aangegaan met Walhalla over een minnelijke oplossing. Dit gesprek heeft geresulteerd in een incidentele meerjarige projectsubsidie bedoeld als bijdrage voor de programmeringskosten voor drie jaar.