MEERJARIGE ACTIVITEITENSUBSIDIE 2017-2020

MAAS THEATER EN DANS

Inleiding

Maas theater en dans (Maas) is vier jaar geleden ontstaan uit het samengaan van de theatergroepen Max en Siberia en het jeugddansgezelschap Meekers. Behalve het produceren van voorstellingen verzorgt de organisatie ook de programmering van het eigen Maaspodium dat beschikt over twee zalen. De tweekoppige directie van Maas bestaat uit artistiek directeur Moniek Merkx en zakelijk directeur Bernadette Stokvis.

Maas is naar eigen zeggen de enige organisatie in Nederland die de functies van produceren en programmeren, van dans en theater, van onderwijs en kunst als een geïntegreerd geheel voor jeugd en jongeren samenbrengt. Al het werk ontstaat uit een continu proces van onderzoeken, veranderen en spelen. De disciplines theater en dans zijn het uitgangspunt, maar ook performance, muziek, theatraal debat, circus, mime en nieuwe media zijn vaak aanwezig in het werk, aldus Maas. Volgens Maas bestaat in de jeugddans nergens anders een plaats waar jonge en ervaren choreografen op structurele basis ontmoetingen kunnen aangaan met elkaar en met theatermakers en fysieke performers. Waar een podium is om in de spotlights en in de luwte te presenteren. De aanvraag van Maas bij het Fonds Podiumkunsten is gericht op het jeugddansgedeelte van de plannen. Voor de kernfunctie jeugdtheater wordt een beroep gedaan op het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De gemeente Rotterdam is gevraagd te investeren in het geheel van activiteiten.

De komende vier jaar wil Maas een aantal dansmakers de ruimte bieden om voorstellingen te maken. Daarbij wordt naar eigen zeggen samengewerkt met ervaren choreografen, zoals Cecilia Moisio, Nicole Beutler en Jan Martens om interessant en uitdagend nieuw werk voor kinderen en jongeren te maken.

Daarnaast richten de theatermakers van Maas zich ook op mengvormen van theater en dans. Zo zal Moniek Merkx een tweetal grote voorstellingen maken, waarin zij met een groep fysieke spelers en dansers zal werken. Jolanda Spoel neemt de dansadviesrol van Arthur Rosenfeld over in het artistieke team. Gecoproduceerd wordt er met het jonge circuscollectief Penguins Productions en De Dansers, met Theater Rotterdam en het performerscollectief KOBE. Verder worden reprises van Arthur Rosenfeld op het repertoire gehouden. Naast educatie rond de voorstellingen maakt Maas onderwijsprogramma’s voor het basisonderwijs en verzorgt het trainingen om de deskundigheid bij leerkrachten te bevorderen. Vanaf seizoen 2017-2018 vertrekt Maas bij het verkoopbureau Stip en zal het zelf de gehele verkoop van de voorstellingen op zich nemen. De afdeling acquisitie wordt daartoe uitgebreid van 0,8 naar 1 fte.

De gevraagde toeslag voor talentontwikkeling wil Maas inzetten voor de ondersteuning van beginnende choreografen onder wie Jasper van Luijk en Guilherme Miotto. Dat gebeurt onder meer in de serie ‘Loslopend Wild’, waarin naar eigen zeggen smaakmakers van de toekomst in jeugddans en theater worden gepresenteerd. Ook gebeurt dat in talentenprogramma’s voor dans op het Maaspodium en door middel van een internationaal residentieprogramma in samenwerking met HETPALEIS in Antwerpen en het SCHÄXPIR Festival in Linz, Oostenrijk.

In de periode 2017-2020 speelt Maas 152 voorstellingen per jaar op het gebied van jeugddans op kleine/middelgrote podia. Het gevraagde subsidiebedrag is 325.000 euro. Daarnaast wordt een bijdrage talentontwikkeling aangevraagd van 65.000 euro. Het totaal gevraagde subsidiebedrag komt daarmee op 390.000 euro.

Historie

Maas ontvangt in de periode 2013-2016 een structurele subsidie voor de functie jeugdtheater van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) in het kader van de Basisinfrastructuur (BIS). Maas ontvangt in dezelfde periode een structurele subsidie van het Fonds Podiumkunsten in het kader van de meerjarige activiteitenregeling 2013-2016 voor de activiteiten op het gebied van jeugddans.

Het Fonds volgt de meerjarig gesubsidieerde instellingen door meerdere adviseurs de voorstellingen en/of concerten te laten bezoeken. In de periode 2013-2016 hebben adviseurs van het Fonds veertien voorstellingen van vijf verschillende producties van Maas bezocht.

Artistieke kwaliteit

De commissie beoordeelt de artistieke kwaliteit als voldoende.

In de afgelopen periode heeft Maas volgens de commissie stappen gezet om zichzelf als producent van jeugddans en -theater op de kaart te zetten. De kwaliteit van de dansvoorstellingen noemt zij evenwel wisselend. De verschillende choreografen waarmee Maas in de afgelopen periode heeft gewerkt, beschikken volgens de commissie niet in gelijke mate over voldoende vakmanschap. Hierdoor miste het werk soms de benodigde theatrale kracht om tot de verbeelding te spreken van de brede en cultureel diverse doelgroep die Maas bedient. De commissie merkt daarbij op dat de geslaagde jeugddansvoorstellingen, zoals ‘Foutje’ en ‘Wild Thing’ in de afgelopen periode hoofdzakelijk zijn gemaakt door choreograaf en artistiek medeleider Arthur Rosenfeld.

De commissie maakt uit de aanvraag op dat Rosenfeld vanaf 2017 geen deel meer zal uitmaken van de organisatie en niet wordt opgevolgd door een nieuwe artistiek leider op het gebied van dans. In plaats daarvan krijgt Jolanda Spoel, die binnen de organisatie als 'regisserend programmeur' verantwoordelijk is voor programma’s, events en speciale podiumavonden voor het Maaspodium, een (advies)rol binnen het team van artistiek directeur Moniek Merkx. De commissie is er slechts ten dele van overtuigd dat de gewijzigde samenstelling van het artistieke team verzekert dat Maas in zijn artistieke kern over de benodigde expertise beschikt om zijn rol op het gebied van jeugddans vanaf 2017 met succes te vervullen.

Volgens de commissie is er geen sprake van een overtuigende visie op de manier waarop Maas vanaf 2017 invulling wil geven aan het onderdeel jeugddans binnen de organisatie. Maas is in dat opzicht nog zoekende. Dit blijkt volgens de commissie ook uit de weinig evenwichtige samenstelling van de groep van choreografen met wie het gezelschap de komende jaren wil samenwerken. Ofschoon Maas in de plannen spreekt van 'ervaren makers', constateert de commissie dat de genoemde choreografen onderling zeer verschillend zijn als het gaat om hun artistieke ontwikkeling. Zij beschikken in de ogen van de commissie niet in alle gevallen over de benodigde kwaliteiten om zelfstandig voorstellingen te maken binnen de specifieke discipline die jeugddans naar haar mening is. Hierdoor is de commissie er niet van overtuigd dat het toekomstige werk over de gehele linie voldoende zeggingskracht zal hebben. Wel positief is de commissie over de in de aanvraag beschreven projecten. Die bieden haar voldoende aanknopingspunten om er vertrouwen in te hebben dat het gezelschap zal groeien in zijn wens een rol te spelen in het in continuïteit ontwikkelen van samenwerkingsvormen op het gebied van theater en dans. De projecten geven blijk van een oprechte nieuwsgierigheid naar oorspronkelijke mengvormen van dans en andere disciplines. Ook de niet-moraliserende manier waarop het gezelschap hedendaagse thema’s binnen de voorgenomen producties toegankelijk wil maken voor een jeugdige doelgroep, spreken in dat opzicht tot de verbeelding. De opgebouwde productie- en educatiestructuur en de aanwezigheid van een eigen podium, bieden hiervoor goede randvoorwaarden, evenals de lokale samenwerking met (urban) makers en performers.

Ondernemerschap

De commissie beoordeelt het ondernemerschap als ruim voldoende.

Naar haar mening is Maas een stabiele organisatie die een redelijk goede financiële gezondheid kent. De liquiditeit is matig, maar de solvabiliteit is goed. De commissie constateert dat Maas zijn verschillende activiteiten en de daarbij behorende geoormerkte subsidiestromen in de aanvraag goed heeft uitgesplitst. Hierdoor is het inzichtelijk hoe de hoofdactiviteiten van de instellingen zich tot elkaar verhouden binnen de totale begroting. Binnen de totale omzet van Maas bedraagt het dansonderdeel 17 procent en de toerekening van het gevraagde subsidie aan het Fonds Podiumkunsten lijkt hiermee op papier in overeenstemming.

De commissie mist evenwel een specifieke focus op de dansvoorstellingen in het ondernemerschap van Maas. Zij merkt op dat de plannen op het gebied van inkomstenontwikkeling en publieksbereik vanuit Maas als geheel zijn geschreven, waardoor het niet duidelijk is of de berekende eigen inkomsten uit de dansactiviteiten haalbaar zijn. Hoewel Maas aangeeft deze te hebben gebaseerd op ervaringscijfers en op reeds bestaande verkoopafspraken, stelt de commissie dat deze in haar ogen weinig garantie bieden voor de toekomst. Het gezelschap wil in 2017 een andere artistieke koers varen en gaat samenwerken met choreografen die binnen de jeugddans nog geen naam van betekenis hebben weten op te bouwen. Hierdoor acht de commissie de verwachtingen ten aanzien van de afzet van de dansvoorstellingen buiten Rotterdam te rooskleurig ingeschat. Voor het overige stelt de commissie vast dat de belangrijkste inkomstenbronnen van Maas geen grote onzekerheden lijken te kennen. Behalve de subsidie van de gemeente Rotterdam, lijkt ook de structurele subsidiëring vanuit het ministerie van OCW zeker. Om die reden acht de commissie het begrijpelijk dat het gezelschap de komende jaren inzet op continuering van de bestaande activiteiten. Vanwege de verschillende functies die de aanvrager vervult, kent de kostenstructuur flexibiliteit. Maas gaat in de plannen echter niet expliciet in op een strategie bij tegenvallers indien deze zich voordoen. De manier waarop Maas in de komende periode alternatieve inkomstenbronnen wil aanboren maakt de aanvraag onvoldoende duidelijk. Daarnaast kennen activiteiten op het gebied van talentontwikkeling de nodige risico’s, aangezien deze niet gedekt worden uit structurele subsidies.

De commissie stelt vast dat Maas zich met zijn verschillende kernactiviteiten stevig weet te positioneren in het veld. Ook is het gezelschap volgens de commissie goed ingebed binnen de Rotterdamse culturele en educatieve infrastructuur. Uit de plannen spreekt een goed besef van de doelgroepen die Maas wil bereiken en de activiteiten voor de komende periode sluiten hier op aan. Toch mist de commissie ook hier een visie op de doelgroepen die het gezelschap specifiek met zijn dansvoorstellingen wil bereiken. Hetzelfde geldt voor de marketing. Hoewel deze gedegen en professioneel overkomt, noemt de commissie de activiteiten op dit gebied weinig gefocust op het dansaanbod dat Maas produceert.

Pluriformiteit

De commissie beoordeelt de bijdrage van Maas aan de pluriformiteit als ruim voldoende.

Maas opereert binnen het genre jeugddans, volgens de commissie een onderscheidend genre binnen het Nederlandse dansaanbod. Maas wil in zijn voorstellingen jeugddans en -theater vermengen. Aangezien er in Nederland meerdere gezelschappen zijn die dans en theater combineren, leveren de activiteiten van Maas een aanzienlijke bijdrage aan de pluriformiteit, maar zijn deze niet uniek.

Geografische spreiding

De commissie beoordeelt de bijdrage aan de geografische spreiding als ruim voldoende.

Maas is gevestigd in Rotterdam, waar het podiumkunstenaanbod zeer groot is. Verder constateert de commissie dat Maas in de periode 2013-2015 regelmatig heeft gespeeld in de grote steden van de Randstad. Maas heeft in vergelijking met andere podiumkunstinstellingen echter ook een groot aandeel voorstellingen gespeeld in andere steden en regio’s. De komende periode staat de aanvrager een vergelijkbare spreiding van de voorstellingen voor ogen. De commissie vindt dat Maas een redelijke bijdrage levert aan de spreiding.

Bijdrage talentontwikkeling

De commissie om de gevraagde bijdrage talentontwikkeling niet toe te kennen.

De commissie staat positief tegenover de ambitie van Maas om zijn kennis en ervaring in te zetten op het gebied van talentontwikkeling, maar is van mening dat de keuze voor de choreografen met wie Maas in dit verband wil werken matig wordt onderbouwd. Daarnaast constateert de commissie dat de geselecteerde makers voor wat betreft hun artistieke ontwikkeling niet veel verschillen van een aantal van de makers met wie binnen de reguliere producties gewerkt wordt. Op grond hiervan concludeert zij dat de activiteiten waarvoor Maas een bijdrage vraagt zich onvoldoende onderscheiden van de reguliere activiteiten. Ten overvloede merkt de commissie op dat de hoogte van de gevraagde bijdrage niet is onderbouwd.

Conclusie

De commissie adviseert de aanvraag van Maas te honoreren voor zover het budget dat toelaat.
Aangevraagd bedrag per jaar€ 390.000
Geadviseerd bedrag per jaar
gemiddeld aantal uitvoeringen per jaarbedrag per uitvoering
Circuit klein/middel1002.500€ 250.000
Circuit groot00€ 0
Basisbedrag€ 75.000
Bijdrage talentontwikkeling€ 0
Totaal per editie€ 354.167
Toegekend bedrag per editie€ 156.617